De villanelle — hoe werkt de vorm?
De villanelle is een negentienregelige dichtvorm: vijf drieregelige strofen (terzinen) gevolgd door een vierregelige slotstrofe (kwatrijn). Maar het bijzondere van de villanelle is niet het regelaantal — het zijn de twee refreinen die het gedicht besturen.
Regel 1 (A1) en regel 3 (A2) keren beide terug: A1 duikt op als regels 6, 12 en 18; A2 als regels 9, 15 en 19. In de slotstrofe staan ze eindelijk naast elkaar — en dan zegt die combinatie ineens iets wat ze afzonderlijk niet konden zeggen. Dat is het mechanisme van de villanelle: de herhaling laadt de regels op.
Rijmschema
Slechts twee rijmklanken dragen het hele gedicht. Hier gemarkeerd met kleuren:
Strofe 2: a b A1
Strofe 3: a b A2
Strofe 4: a b A1
Strofe 5: a b A2
Slotkwatrijn: a b A1 A2
Posities a-rijm: 1, 3, 4, 6, 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16, 18, 19. Posities b-rijm: 2, 5, 8, 11, 14, 17.
Regellengte
Klassiek: tien lettergrepen, jambisch. Modernere beoefening: vrij metrum, met nadruk op rijm en refrein-rotatie. Deze werkplaats laat je kiezen bij elk nieuw project.
Demonstratiefragment
De schaduwen zijn vroeg begonnen met klagen, als kleur een keus maakt en de wereld vliedt. Het licht dat wijkt weet zelf niet waar het heen gaat,
— de overige dertien regels volgen hetzelfde patroon Eigen demonstratiefragment — geen auteursrecht van toepassing.